Gelukkig wie zorg heeft voor zwakken en armen;
komt hij in nood, dan helpt hem de Heer.
De Heer beschermt hem en houdt hem in leven,
Hij maakt hem op aarde gelukkig
en geeft hem niet prijs aan andermans hebzucht.
De Heer staat hem bij als hij ziek te bed ligt,
verzorgt hem als kwalen hem slaan._
Ook ik roep de Heer aan: "wees mij genadig,
genees mij, al heb ik misdaan tegen U."
Mijn vijanden
wensen mij kwaad toe:
"Wanneer zal hij sterven, vergaat zijn naam?"
Men komt mij bezoeken met lege woorden,
men neemt de ellende nieuwsgierig op
en gaat er op straat van vertellen._
Zij fluisteren samen, zij die mij haten,
en vragen zich af wat voor ziekte ik heb:
"Een slag van de Boze heeft hem getroffen
en nu hij daar ligt staat hij niet meer op."
Ja zelfs mijn vriend, op wie ik vertrouwde,
die at van mijn brood, laat mij nu in de steek._
Maar Gij, Heer, heb medelijden met mij,
genees mij zodat ik het hun kan vergelden.
Daaraan zal ik merken dat Gij mij bemint,
wanneer Gij mijn vijanden niet laat juichen.
Gij hebt mij toch om mijn onschuld gesteund
en mij voor uw aanschijn gesteld voor immer._
De Heer zij gezegend, Israëls God,
van eeuwig tot eeuwig. Zo zij het.